“Niet voor menselijke consumptie” — die zin staat op talloze kratomverpakkingen, vaak naast omschrijvingen als “textielkleurstof” of “verzamelobject”. De gedachte erachter is begrijpelijk: door te ontkennen dat een product bedoeld is om te eten, hoopt een aanbieder de strenge levensmiddelenregels te ontlopen. Maar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 24 juni 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:340) laat zien dat die constructie juridisch eenvoudigweg niet werkt.
De kern in het kort
- Niet de bedoeling of het etiket bepaalt of iets een levensmiddel is, maar of consumptie redelijkerwijs te verwachten valt.
- De vermeldingen “niet voor menselijke consumptie” en “textielkleurstof” en elf jaar handel werden door het CBb afgewezen als ontsnappingsroute.
- De toets ligt vast in artikel 2 van Verordening (EG) 178/2002 — een objectieve maatstaf, geen subjectieve.
Het etiket als ontsnappingsroute
In de praktijk worden kratomproducten al jaren met disclaimers verkocht. De redenering van aanbieders is steeds dezelfde: als op de verpakking staat dat het product niet bestemd is voor consumptie, dan is het ook geen levensmiddel, en dan gelden de levensmiddelenregels niet. In de zaak die tot de CBb-uitspraak leidde, ging het om een partij van 1.100 kilogram gedroogd kratombladpoeder die de NVWA bij binnenkomst tegenhield. De importeur voerde aan dat het ging om een textielkleurstof, dat het product al elf jaar zo werd verhandeld, en dat de douane het eerder zelfs als geneesmiddel had aangemerkt. Stuk voor stuk argumenten die erop neerkwamen: dit is geen voedsel, dus laat ons met rust.
Wat de wet werkelijk zegt
Het CBb toetste aan de definitie van “levensmiddel” in artikel 2 van de Algemene Levensmiddelenverordening (Verordening (EG) 178/2002). Die definitie hangt niet op aan wat de verkoper bedoelt of opschrijft, maar aan een objectief criterium: een product is een levensmiddel als redelijkerwijs te verwachten is dat mensen het consumeren. Dat is een wezenlijk verschil. Het recht kijkt niet naar de intentie achter het etiket, maar naar de realiteit van hoe een product in de wereld functioneert. Een poeder dat qua herkomst, presentatie en feitelijk gebruik aansluit bij menselijke inname, valt onder de definitie — ongeacht welke disclaimer eraan hangt.
De rechter benadrukte dat de bedoeling van de verkoper niet doorslaggevend is. Zou dat anders zijn, dan zou iedere aanbieder de levensmiddelenwetgeving kunnen omzeilen met één regel tekst op de verpakking. Dat zou het hele beschermingsdoel van de verordening uithollen. Juist daarom koos de Europese wetgever voor een maatstaf die buiten de macht van de verkoper ligt: niet wat je zegt dat het is, maar wat redelijkerwijs te verwachten valt.
Het CBb oordeelde dat de aanduiding “niet voor menselijke consumptie” en de kwalificatie als textielkleurstof niet wegnemen dat consumptie van het kratompoeder redelijkerwijs te verwachten is. Daarmee bleef het product een levensmiddel in de zin van artikel 2 van Verordening (EG) 178/2002.
Argument tegen oordeel
De importeur bracht meerdere argumenten in stelling. Het CBb behandelde ze één voor één — en wees ze alle af. Onderstaande tabel zet de kern van de redenering naast elkaar.
| Argument importeur | Oordeel rechter |
|---|---|
| Op het etiket staat “niet voor menselijke consumptie” | Niet doorslaggevend; bepalend is of consumptie objectief te verwachten valt |
| Het product is een textielkleurstof, geen voedsel | De aanduiding neemt de te verwachten consumptie niet weg |
| Het wordt al elf jaar zo verhandeld | Historische handelspraktijk verandert de juridische kwalificatie niet |
| Kratom lijkt op gecontroleerde stoffen en valt daarom buiten de levensmiddelenregels | Kratom staat niet op de VN-verdragen 1961/1971; de wettekst biedt “geen enkele basis” |
Geen drug-uitzondering
Een laatste poging om buiten het levensmiddelenrecht te blijven, steunde op de gedachte dat kratom op een gecontroleerde stof lijkt. Voor stoffen die onder internationale drugsverdragen vallen, geldt namelijk een uitzondering op de levensmiddelendefinitie. Maar het CBb stelde vast dat kratom niet voorkomt op de lijsten van het VN-Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (1961) of het VN-Verdrag inzake psychotrope stoffen (1971). Daardoor kan kratom geen beroep doen op die uitzondering. De rechter overwoog dat de duidelijke wettekst voor zo’n uitleg “geen enkele basis” biedt.
Waarom dit ertoe doet
De betekenis van deze redenering reikt verder dan één partij poeder. Ze raakt elke productvorm waarin kratom op de markt komt. Een disclaimer biedt geen juridische schild: zodra een product zich feitelijk gedraagt als iets dat mensen consumeren, gelden de levensmiddelenregels — inclusief het novel-food-kader, waarvoor kratom geen autorisatie heeft. Voor eetbare vormen die naar hun aard zijn ontworpen om te worden ingenomen, is de te verwachten consumptie nog evidenter dan bij los poeder. Het etiket “niet voor menselijke consumptie” verandert daar niets aan; het is in deze context vooral een juridisch loze formule.
Voor de consument is de boodschap nuchter: een product dat zichzelf presenteert als “niet om te eten” maar wel als kratom wordt aangeboden, valt buiten elk goedgekeurd kader. Er is geen toezicht op samenstelling, sterkte of zuiverheid, en de disclaimer zegt niets over wat er werkelijk in zit. Wie de juridische context begrijpt, ziet die zinsnede dan ook voor wat ze is: een poging tot ontwijking die de rechter expliciet heeft verworpen.
Lees ook
Bronnen: CBb 24 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:340; Verordening (EG) 178/2002 (artikel 2, definitie levensmiddel); Verordening (EU) 2015/2283 (novel foods); VN-Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (1961) en VN-Verdrag inzake psychotrope stoffen (1971). Peildatum: mei 2026.